Opdrachten bij het geraamte
1. Armpje drukken.
Ga met een klasgenoot die ongeveer even groot is goed aan een tafeltje zitten.
Zet allebei een elleboog op tafel en pak elkaar met de hand vast.(allebei rechterarm of allebei linkerarm)
Wie is die sterkste? Gelijk beginnen, dus aftellen.

2. Maak met je arm een spierbal. Laat dan een klasgenoot
met een centimeter opmeten wat de omtrek van je bovenarm is.
Wat is de omtrek als je arm gestrekt is?
Is er verschil? Doe hetzelfde eens met je linkerarm.

3. Ga op je rug op de grond liggen, buig je knieën en doe je kin op de borst.
Breng je armen naar je gebogen knieën. Welke spieren span je nu aan, je buikspieren of je rugspieren? (als je spieren aanspant worden ze korter en dikker.)

4. Ga op je buik op de grond liggen en strek je armen naar voren. Til nu je beide armen en je hoofd iets van de grond. Welke spieren span je nu aan?

5. Ga op je tenen staan. Blijf even zo staan. Voel je welke spieren je gebruikt?
Welke?