Algemeen
Aan het einde van de Middeleeuwen veranderde er veel in Nederland. Vooral op het gebied van de handel, wetenschap en de kunst. Vooral de handelaren profiteerden hiervan, zij haalden spullen van over de hele wereld. Ze haalden grondstoffen van ver en maakten er in Nederland luxe producten van. Die werden dan met veel winst verkocht. Zo werden de handelaren steeds rijker en rijker. Geld werd steeds belangrijker.
Wat ook goed was voor de Nederlandse handelaren was, was dat de haven van Antwerpen werd afgesloten. De meeste schepen gingen nu naar Amsterdam. Zo ging het goed met de scheepvaart en met de handel en konden veel mensen in Amsterdam aan het werk. Want alle producten die uit verre landen kwamen, moesten ook weer verwerkt worden. Denk maar aan een koffiebranderij, een spinnerij of een tabaksbedrijf. Omdat het zo goed ging met ons land in de 17e eeuw noemen we deze eeuw de Gouden Eeuw. Maar niet iedereen kon genieten van al dat goeds.
Eigenlijk bestond de bevolking uit 5 lagen.

bevolkingsdiagram

Het was heel moeilijk om van de ene naar de andere groep te stappen. Je werd geboren in een bepaalde laag en kon bijna niet opklimmen naar een hogere laag. Lager wilde je natuurlijk niet.

In de laag van de adel zaten alleen mensen die vanaf hun geboorte van adel waren. Van adel kon je niet worden, dat was je of dat was je niet.

Tot de laag van de gegoede burgerij hoorden de heel rijke mensen: eigenaren van bedrijven, rijke boeren, rijke handelaren, enz. ze waren vaak net zo rijk als de mensen van adel.

Bij de laag van de kleine burgerij hoorden mensen, die een beroep hadden waar ze niet rijk van werden, maar waar ze genoeg mee verdienden om van te leven. Bijvoorbeeld bakkers, onderwijzers, kleine handelaren, enz.

In de vierde groep zaten de mensen, die in armoede leefden. Bijvoorbeeld matrozen, soldaten, landarbeiders, enz. Zij moesten hard werken, maar kregen erg weinig loon.

En in de laatste groep zaten mensen die helmaal geen werk hadden. Veel van die mensen trokken door het land en hoopten dan dat ze ergens werk konden vinden. Soms moesten ze bedelen en stelen om in leven te blijven. De kerk zorgde soms voor eten en een dak boven hun hoofd. Ook bemoeiden de rijke mensen zich soms met de werkelozen.